7 – 9 minuten

0 reacties

Inge van Nistelrooij aanvaardde onlangs officieel de bijzondere leerstoel ‘Dialogical Self Theory’ aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij gaat daar onderzoek doen naar het ‘zelf als moeder’, als bijdrage aan deze theorie. Wat bezielt een zorgethica om deze leerstoel te bezetten? En zijn er links te leggen naar zorgethiek? Zorgethiek.nu vroeg het haar naar aanleiding van haar inaugurele rede.

Proficiat met je benoeming! Wat is de Dialogical Self Theory? En waarom is zij relevant voor zorgethiek?

Dankjewel! De Dialogical Self Theory is een sociale theorie van het zelf die ontworpen is binnen de psychologie. De ‘vader’ van de theorie is Hubert Hermans. Hij werkte samen met Els Hermans-Janssen, Frans Meijers, Harry Kempen, Rens van Loon en vele anderen. Zoals ik in mijn rede uiteenzet, is de DST, zoals de theorie wordt afgekort, intussen wijdverspreid, over alle continenten. Zij heeft wetenschappers en therapeuten weten te boeien door het idee dat het zelf wordt geconstrueerd vanuit dialogen, die zowel binnen als buiten het zelf plaatsvinden. Hier ligt meteen een verwantschap met een denker in wiens werk mijn eigen zorgethische denken is geworteld: Paul Ricoeur. Ricoeur werkte ook dit idee uit van een zelf dat mede gevormd wordt door anderen (net als overigens nog andere denkers). Toen ik de DST leerde kennen, zag ik deze nauwe verwantschap direct, overigens zonder dat de denkers over en weer naar elkaar verwijzen. Ook het relationele zelf van de zorgethiek vertoont vele kenmerken die ik ook terugzie in de DST. Vandaar dat ik meteen geraakt was door deze theorie.

Het is overigens ook heel praktisch herkenbaar, dat idee van het dialogische zelf. Dat maakt de theorie van Hubert Hermans ook voor zorgethiek zo relevant. Denk bijvoorbeeld aan de vele manieren waarop gesprekken met anderen of uitspraken van anderen jou beïnvloed en gevormd hebben en dat nog steeds doen. Stemmen (of reacties, uitspraken) van anderen kunnen ook binnen je eigen gedachten een rol spelen. Je spreekt dan als het ware in je eigen denken met anderen en zij spreken terug. Ook een element dat we uit zorgethiek kennen is het volgende: sommige stemmen klinken harder dan andere. Hermans spreekt van stemmen die zodanig in onszelf zijn dat ze eigen stemmen zijn geworden. Hermans noemt dat ‘ik-posities’. Deze ik-posities zijn mijn eigen stemmen die in mijzelf met elkaar dialogen aangaan. Ook hier zijn sommige stemmen dominant, en dat kan leiden tot conflicten, remmingen, valkuilen en zelfs onvruchtbare coalities die mij gevangen houden – zogenoemde ik-gevangenissen. Ook hier denk ik aan zorgethiek: denkers als Margaret Urban Walker heeft zich ook beziggehouden met verhalen en praktijken die onszelf vormen, en hoe daarin bijvoorbeeld sommige identiteiten dwingend zijn geworden. Vooral is dat het geval voor ondergeschikte groepen mensen, denk aan de beroemde drieslag ‘gender, race, and class’. Op het ontleden van zowel de interne als de externe dialogen die het zelf vormen, en de spanningen daarin, richt zich Hermans’ theorie, evenals de vele methodieken die op basis daarvan zijn ontwikkeld.

De DST is een stevige kritiek op het gangbare idee in de psychologie dat het ‘zelf’ maar één centrum heeft. Ook hierin zien we weer een belangrijk idee van zorgethiek: dat het zelf gedecentreerd wordt, uit zichzelf getrokken. Bij Hermans klinkt dat zo: het dialogische zelf bestaat uit een meervoud van centra, die onderling in dialoog staan. Dit noemt Hermans een meerstemmigheid van ik-posities, die hij ook wel polyfonie noemt. Dat idee van polyfonie ontleent hij aan Bakhtin (de Russische veelzijdige denker naar wie Ricoeur óók verwijst). De polyfonie van het zelf bestaat niet alleen uit stemmen van individuele anderen, maar ook klinken hierin stemmen door uit de bredere samenleving. Dat zijn vaak de stemmen van gedeelde opvattingen, patronen, verwachtingen en structuren die de maatschappelijke en culturele normen weerspiegelen. Ook deze maatschappelijke stemmen verwoorden visies vanuit verschillende perspectieven, die weerklinken in het zelf en worden tot ik-posities. Hermans zegt daarom dat zich in het zelf een minisamenleving afspeelt. De interne polyfonie, het dynamische veelvoud van ik posities, noemt Hermans een ‘maatschappij in het zelf’ (Society in the Self, Hermans 2018).

Hier zien we opnieuw een verwantschap met zorgethiek, dat structuren en patronen ontleedt van zorgpraktijken. Zorgethiek heeft altijd al een stevige basis gehad in een mensopvatting, die we ‘relationele ontologie’ noemen. Daarin verschilt zij van veel andere ethische stromingen. Hermans’ werk kan helpen om deze relationele ontologie als dialogen te zien en te ontleden. Hij is als psycholoog uitdrukkelijk bezig met de sociale omgeving, met dominantie en machtsverhoudingen. Allemaal elementen die we in zorgethiek ook centraal stellen. Daarmee is hij een unieke psycholoog, en zijn theorie een unieke theorie, die als gesprekspartner voor zorgethiek kan dienen.

Waarom aanvaardde je deze leerstoel over het dialogische zelf?

Juist vanwege de bovengenoemde verwantschap met zorgethiek sprak mij deze positie erg aan. Vanuit mijn filosofische kennis van de Franse fenomenologie vond ik het ook interessant om met deze theorie aan de slag te gaan. De leerstoel is namelijk ingebed in de faculteit Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen, en dan in het departement ‘Metafysica en filosofische antropologie’. Daarmee ben ik ingebed in grondig, fundamenteel filosofisch onderzoek, en een faculteit en vakgroep die interdisciplinair is en interdisciplinariteit verder wil ontwikkelen. Interdisciplinariteit is mij als zorgethica natuurlijk bekend. Aan de UvH doen wij sociaalwetenschappelijk onderzoek naar zorgpraktijken, geleefde ervaringen, en de politieke (beleids-)context ervan. Dat combineren we met filosofische (met name politiek-ethische) theorie. Dat ik deze ‘dialectische’ ervaring heb, is van meerwaarde voor mijn plek in Nijmegen.

Ik ben sinds 2013 verbonden aan de vakgroep zorgethiek, en al sinds de jaren 1990 spreek en publiceer en train ik als zorgethica. De laatste jaren spits ik mij toe op het denken over en onderzoeken van ‘moederschap’ in allerlei gedaanten. Denk aan de ervaringen van zwangerschap, baren, zogen, maar ook zwangerschapsverlies en onvervulde kinderwens. Daarin liggen uitdagingen om over het ‘gedecentreerde subject’ na te denken, want alleen al lichamelijk verandert er zoveel dat het zelf van de zwangere verandert tot in de haarvaten. Is de zwangere daarmee ‘twee-in-één’ of ‘één-systeem’ van zwangere en foetus? Denk ook aan de ervaringen van zorgen voor een klein kind, ervaringen die ouders vaak samen delen. Daarbij liggen er allerlei patronen en verwachtingen ten aanzien van ouders, en speelt vaak ook ‘gender’ een rol, als we verschillende taken en verantwoordelijkheden toeschrijven aan moeders of aan vaders. Tenslotte zie ik in ‘moederschap’ ook een element dat veel breder is dan de privésfeer van gezinsuitbreiding. Het gaat ook om het voortbrengen van een nieuwe generatie waarbij er een collectieve verantwoordelijkheid opduikt. Dat wil zeggen dat we allemaal, ongeacht of we kinderen hebben, verantwoordelijk zijn voor een wereld waarin kinderen worden gebaard: wat zijn de omstandigheden waarin zij ter wereld komen, en welke wereld geven we aan hen door? Ik ben in Nijmegen met open armen ontvangen om hierover na te denken. Ik doe dat ook aan de UvH. Zorgethiek is immers in onderzoek naar moederschapspraktijken ontstaan. Er waren goede redenen om zorgethiek te ontwikkelen naar een brede bestaansethiek, maar het onderwerp moederschap werd daardoor de laatste jaren minder belicht. Ik denk dat het nog altijd relevant is, en dat zorgethiek én feminisme zich ermee moeten bezighouden. Ik doe dat aan de UvH samen met promovenda Rodante van der Waal, vele ZEB-studenten en -alumni, en met het netwerk ‘Concerning Maternity’. Daarnaast biedt de DST mij een uniek instrumentarium om dat nog verder uit te werken.

Betekent je leerstoel dat je de UvH gaat verlaten?

Nee, geenszins. Ik heb altijd 4 dagen per week aan de UvH gewerkt, en dat blijf ik doen. De vijfde dag besteed ik nu aan deze leerstoel. Ik ervaar dat als twee posities die wederzijds vruchtbaar zijn. Het is goed om ook een andere universitaire context te kennen, naast de UvH. Ik kan de DST meebrengen in het curriculum van zorgethiek, en omgekeerd kan ik zorgethiek (en Ricoeur!) meenemen naar Nijmegen. Ik hoop nog jaren het onderzoeksveld van zorgethiek te blijven ontwikkelen, samen met mijn collega’s aan de UvH!

De inaugurale rede die prof. dr. Inge van Nistelrooij op 18 maart 2022 uitsprak en waarin zij haar onderzoeksplannen uiteenzette, is hier te lezen.

Een artikel van


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.