Van collectieve bescherming naar gedeelde zorg

Author: 2 reacties

Hoe maak je keuzes in een gezondheidscrisis van ongekende omvang? In de eerste maanden van de corona uitbraak stelde de Nederlandse overheid zich drie doelen: het voorkomen van overbelasting van de acute zorg in ziekenhuizen; het beschermen van groepen die kwetsbaar zijn voor de medische gevolgen van corona; en controle houden over het virus. Samen vormden deze drie doelstellingen het raamwerk van het crisisbeleid.

Of deze aanpak zou slagen, hing volgens de regering af van de inzet van alle burgers. ‘Het virus verspreidt zichzelf niet; mensen verspreiden het virus’, zou minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge vaak herhalen. Virusbestrijding is niet alleen een uitdaging voor de gezondheidszorg. Het is ook een sociaal-politieke opgave.

De Nederlandse regering is lang terughoudend geweest met het opleggen van verplichtingen. ‘We zijn geen kinderspeeltuin. Ik wil niet de baas spelen’, zei premier Mark Rutte op 8 mei 2020. In haar brieven aan de Tweede Kamer gebruikte de regering tijdens de eerste golf 83 keer woorden als verantwoordelijkheid en verantwoordelijk. Over verplichtingen ging het 48 keer. Burgers en overheid, en soms zelfs alleen de burgers, waren volgens de regering collectief verantwoordelijk voor het welslagen van het crisisbeleid. Om hen aan te sporen hun verantwoordelijkheid serieus te nemen, deed de regering een beroep op het gezonde verstand. Burgers zouden zelf moeten inzien hoe essentieel alle voorgestelde crisismaatregelen waren.

Essayist Bas Heijne vroeg zich onlangs af hoe wijs het was om te kiezen voor een aanpak gestoeld op verantwoordelijkheden in plaats van verplichtingen. Wat hem betreft verklaart die keuze het heftige maatschappelijke debat over het crisisbeleid. En dat ondergroef weer een effectieve aanpak van het virus. ‘Als je de verantwoordelijkheid consequent bij de burger zelf legt, moet je niet gek opkijken als hij zich vervolgens overal mee gaat bemoeien.’ Dat het beroep op verantwoordelijk tot polarisatie leidde, was volgens Heijne niet verrassend. De aanpak paste bij een overheid die burgers steeds meer was gaan benaderen als zelfstandige ondernemers die zelf hun weg wel weten te vinden op de markt van vraag en aanbod. Met als gevolg dat de regering geen overtuigend en gedeeld verhaal meer voorhanden had, toen zij de burgers wilde vragen om de tanden op elkaar te zetten en zich aan de maatregelen te houden. ‘Waar het mis ging, is dat men het land al te lang niet als een samenleving, een gemeenschap van burgers beschouwt, maar als een verzameling belangen van individuen, met de overheid als zakelijke spelverdeler, niet als (morele) autoriteit.’

Volgens Heijne leidde de focus op eigen verantwoordelijkheid tot maatschappelijke verdeeldheid. Maar er is meer aan de hand. In de basis is verantwoordelijkheid een relationele praktijk. Je neemt verantwoordelijkheid in antwoord op een beroep dat iemand anders op je doet (responsiviteit). Hoe dat antwoord eruitziet, is niet louter iets van het gezonde verstand. Het hangt ook samen met wat je een gezond gevoel zou kunnen noemen: als je goed kijkt en luistert zie je wat nodig is in een specifieke situatie. Mensen komen in de knel als hen gevraagd wordt om hun verantwoordelijkheid te nemen, maar ze niet de ruimte krijgen om die vorm te geven op een manier die zij bij die context vinden passen. Het ‘Moreel Archief Corona’ laat het morele letsel zien dat verantwoordelijke zorgverleners hebben opgelopen doordat zij verplicht de deuren van een zorginstelling gesloten moesten houden terwijl bewoners niet snapten waarom ze hun familie niet konden zien.

De manier waarop mensen hun verantwoordelijkheid invullen is vaak het resultaat van een morele afweging die breder is dan het simpele eigen belang waar Heijne over schrijft. Gezond verstand en emotionele betrokkenheid komen erin samen. Die persoonlijke afwegingen houden met andere dingen rekening dan het crisisbeleid van de overheid. Door de keuze voor drie beleidsbepalende doelstellingen probeerde de regering de complexiteit van de crisis in eerste instantie flink te reduceren. Maar de door bewindspersonen vaak herhaalde oproep om collectief kwetsbare groepen te beschermen, bleek in het dagelijks leven een stuk lastiger vorm te geven. Kwetsbaarheid bestaat uit meer lagen dan alleen een vergrote kans op een ernstig verloop van een corona infectie. Kwetsbaarheid heeft ook psychosociale en politiek-maatschappelijke kanten. Denk aan het risico op eenzaamheid, waar de koning op 20 maart 2020 al voor waarschuwde. Dit maakt morele vragen rondom zorg voor kwetsbare groepen complexer en de uitkomst minder eenduidig. Juist omdat mensen geconfronteerd worden met tegenstrijdige vragen van de overheid en van directe verwanten of vrienden.

In haar aansporing tot collectieve verantwoordelijkheid, liet de regering maar beperkt ruimte voor daadwerkelijke eigenstandige vormgeving van die opgave. En dat is problematisch. Het roept de vraag op hoe ‘eigen’ die verantwoordelijkheid nog is als er al een dwingend idee is over hoe burgers die collectief zouden moeten invullen. Dat is geen nieuw verschijnsel. Zeker niet op het gebied van zorg, waar bijvoorbeeld de Wet Maatschappelijke Ondersteuning burgers de verantwoordelijkheid geeft om zelf hun zorgondersteuning te regelen, waarbij burgers tegelijkertijd wel min of meer verplicht worden om bijvoorbeeld zo lang mogelijk zelfstandig te blijven wonen. De coronacrisis laat (opnieuw) zien dat een dwingende invulling van verantwoordelijkheid met name voor kwetsbare burgers, hun naasten en zorgverleners morele schade oplevert: ze kunnen niet altijd de zorg verlenen of ontvangen die ondersteunt op die punten waar mensen zelf aangeven dat ze het meest kwetsbaar zijn.

De inperking van de manier waarop burgers ruimte konden geven aan hun verantwoordelijkheid leverde niet alleen morele kwetsuren op. Het betekende ook dat er in het beleidskader maar beperkt ruimte was voor het integreren van specifieke kennis en praktijkervaringen van kwetsbare groepen of hun vertegenwoordigers. Zeker in de eerste crisismaanden hadden deze groepen geen of weinig aandeel in het maken en bijstellen van het crisisbeleid. Beperkte participatie leidde ertoe dat beleid en het uitvoeren ervan niet wordt gevoeld als een gedeelde verantwoordelijkheid.

Onderhand is de situatie is de inspraak beter geborgd. Er zitten meer groepen aan tafel en er wordt met meer belangen rekening gehouden. Daarmee zijn ook afwegingen van de overheid een stuk complexer geworden. Volgens de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) zijn dit soort bredere waardenafwegingen alleen maar toe te juichen: ‘dat kan draagvlak en betrokkenheid vergroten en het gevoel van willekeur en machteloosheid verkleinen’. Politieke keuzes gaan over de verdeling van schaarse middelen en zijn daardoor altijd tragisch, maar besluitvorming wint aan legitimiteit op het moment dat alle relevante partijen gerepresenteerd en erkend worden.

De RVS benoemt vijf strategieën om ervoor te zorgen dat beleidsbeslissingen die op korte termijn worden genomen recht doen aan de waarden die onze samenleving op lange termijn vitaal en veerkrachtig houden. De vijf aanbevelingen zijn vooral procesmatig: het vinden en wegen van zoveel mogelijk alternatieven, het vergroten van wendbaarheid, het erkennen van kwetsbaarheden, het bouwen aan gedragen besluiten, en het leren in onzekerheid. Inhoudelijk zou je daaraan toe kunnen voegen dat het belangrijk is om burgers, waar dat kan, daadwerkelijk verantwoordelijkheid te geven. Dit betekent dat soms andere kwetsbaarheden prioriteit kunnen krijgen boven het besmettingsrisico. En dat burgers het vertrouwen gegund wordt om op eigen wijze verantwoordelijkheid te nemen voor de zorg voor hun medeburgers. Daarmee laat de overheid meer ruimte voor maatwerk en diversiteit. Dat is essentieel. Zeker voor de komende maanden waarin versoepelingen nog niet in zicht zijn.

Een ingekorte versie van dit artikel verscheen eerder op SocialeVraagstukken.

2 reacties

  1. Wat herkenbaar!!
    Na vorig jaar in de eerste lockdown zoveel ontreddering te hebben gezien waar dit zo in botsing kwam met de kernwaarden van onze zorg…er is tot op heden geen balans teruggevonden in veel zorgorganisaties. Er wordt vanuit regelethiek gedacht, gewerkt en gekozen. Er lijkt geen keuze te zijn dan mee te varen op de regels. Een gemiddelde zorgorganisatie staat volgens hun eigen doelen voor andere kernwaarden terwijl deze tot op heden grotendeels uit beeld blijven.
    Waar mijn vraag nog open ligt…hoe kan het morele kompas wat weggeslagen is bij mij en bij collega’s weer teruggevonden worden.
    Hier geen actie op ondernemen gaat waarschijnlijk betekenen dat er een aantal goede professionals de zorg uit gaan. Een vertrek door teveel disbalans of door een bewuste keuze te maken en de zorg vaarwel te zeggen….

    1. Beste Anna, veel dank voor je reactie. De kloof waar jij overschrijft wordt volgens mij door veel mensen in de zorg herkend. Laten we alle mogelijke manieren aangrijpen om dit probleem op de kaart te (blijven) zetten!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *