Thesis Stijn Staal: “Hoog spel: Waarom jongeren toch willen feesten in coronatijd”

Author: Geen reacties

Wie ben je?
Mijn naam is Stijn Staal, ik ben 31 jaar oud, en ik woon in Den Haag. Ik heb een achtergrond als sociaal pedagogisch hulpverlener en ggz-agoog in de psychiatrie, en daarnaast heb ik de afgelopen twee jaar met veel plezier als gastdocent en co-trainer opgetreden binnen een GGZ-minor van de Haagse Hogeschool. Daar hield ik me onder andere bezig met een trainingsmodule omtrent ervaringskennis en ervaringsdeskundigheid in de GGZ; een veld wat mij ontzettend boeit en waar nog veel winst te behalen valt. In mijn vrije tijd game ik (te?) veel, en doe ik wel eens een poging om de werken van wat bekende Franse filosofen te begrijpen.

Wat is het onderwerp van je thesis en hoe kwam je tot deze keuze?
Ik vind het persoonlijk namelijk super interessant als bepaalde mensen of onderwerpen een beetje maatschappelijke onrust veroorzaken, een beetje schuren, misschien zelfs als ‘verkeerd’ gezien worden. Feesten in coronatijd is daar denk ik een schoolvoorbeeld van. Dat je als jongere feestjes bezoekt was voor de coronatijd vanzelfsprekend, misschien was het zelfs een beetje vreemd als je dat als jongere nooit deed, en nu was feesten ineens uit den boze. Gezien de coronaproblematiek waar we als gemeenschap mee te maken hebben is dat misschien niet eens zo verwonderlijk, maar de forse, felle en soms ongenuanceerde kritiek op jongeren verbaasde me wel. Ik las regelmatig nieuws- en persberichten waarin jongeren door sommige politici en burgemeesters bijvoorbeeld geportretteerd werden als ‘onverantwoordelijk’, als mensen die ‘zich niets aantrekken van de problematiek waar we in zitten, en zich buiten de samenleving plaatsen’, of als mensen die hun ‘gezond verstand’ moeten gebruiken. Allemaal leuk en aardig, dacht ik, maar waar zijn dat soort uitspraken nu eigenlijk op gebaseerd? Sluit een dergelijke portrettering van feestende jongeren eigenlijk wel aan op de beweegredenen van de jongeren? Waarom feesten jongeren eigenlijk in de coronatijd, en hoe wegen ze hun keuze om te feesten af? En wat betekent meer inzicht in die zaken voor de manier waarop we als maatschappij met deze jongeren om zouden moeten gaan? Genoeg om over na te denken, dacht ik zo.

Hoe sluit je onderzoek aan bij zorgethiek?
Wat mij tijdens mijn studie altijd erg aansprak aan zorgethiek is dat het expliciet ruimte maakt voor de geleefde ervaring van mensen, en dat een zorgethisch politiek ideaal veel waarde hecht aan het geven van een stem aan mensen die om wat voor reden dan ook niet of nauwelijks gehoord worden. Voor mijn thesis putte ik daar veel inspiratie uit. Daarnaast probeer ik in mijn thesis de relatie tussen zorg en spelen te verkennen. Joan Tronto geeft in Moral Boundaries een prachtige definitie van zorg, en wijdt daarna een paar zinnen aan handelingen die volgens haar geen zorg zijn; spelen is er daar één van. Brunella Casalini stelt in een artikel echter dat als zorg te maken heeft met het onderhouden van onze relaties, dat spelen daar een essentieel onderdeel van zou kunnen zijn. Dat vond ik een interessante spanning waar ik in mijn thesis verder over nadacht door feesten te interpreteren als een specifieke vorm van spelen.

Hoe heb je dit onderzocht?
Dat feesten een vorm van spelen is moest ik natuurlijk eerst onderbouwen. Mijn theoretisch kader begint dan ook met een verkenning van het concept ‘spelen’, waarna ik op basis van onder andere het werk Homo Ludens van cultuurfilosoof Johan Huizinga beargumenteer waarom feesten een intensieve vorm van spelen is. Vervolgens heb ik Joan Tronto’s werk gebruikt om een zorgethisch begrip van ‘rechtvaardigheid’ uiteen te zetten, hielp het werk van ‘onze’ Inge van Nistelrooij en Carlo Leget mij om morele spanningen beter te kunnen begrijpen, en ging ik bij Maurice Hamington en Michel Foucault te rade hoe feesten vanuit zorgethisch perspectief politiek geduid kan worden.

Daarnaast deed ik logischerwijs ook empirisch onderzoek; ik wilde immers de behoeften en beweegredenen van feestende jongeren verkennen, en ik wilde hen een bescheiden platform bieden om hun stem te laten horen. Ik sprak in totaal elf jongeren over hun behoeften in coronatijd; over de rol van feesten in hun (corona)leven; over zelfzorg en zorg voor vrienden; over de politieke behandeling van jongeren in coronatijd; en over de afwegingen die zij maken bij hun beslissing om te feesten. Om in de sfeer van mijn thesis te blijven: de interviews waren voor mij echt een feestje. De jongeren namen geen blad voor de mond, en gaven mij met hun rijke beschrijvingen van de coronafeestjes, hun behoeften, hun mentale gesteldheid, en hun morele afwegingen op bijzondere wijze inzicht in de complexiteit van feesten in coronatijd.

In mijn zorgethische discussie probeer ik de verhalen van de jongeren in gesprek te brengen met de inzichten uit mijn theoretische hoofdstuk, en probeer ik te doordenken hoe zorg en spelen zich tot elkaar verhouden, wat we van feestende jongeren kunnen leren over politiek engagement, en wat vanuit een zorgethisch perspectief een rechtvaardige behandeling van feestende jongeren zou kunnen zijn.

Wat zijn voor jou de meest verrassende bevindingen?
Om te beginnen vind ik het belangrijk om te benoemen dat feesten in coronatijd voor de jongeren die ik gesproken heb primair draait om het onderhouden van hun mentale welzijn en de betekenisvolle relaties die hun leven zin geven. Sommigen zullen bij feestjes misschien denken aan ‘zuipen’, dansen, en drugs gebruiken, maar wanneer ik luisterde naar de verhalen van jongeren stonden er eigenlijk hele andere dingen op de voorgrond. Coronafeestjes bieden jongeren vooral een plek waar ze ook gewoon even een arm om iemand heen kunnen slaan als diegene het moeilijk heeft, waar ze elkaar een knuffel mogen geven, waar ze samen even hun coronastress kunnen ontladen, waar ze zich weer even verbonden kunnen voelen met anderen, en waar ze hun identiteit kunnen verkennen en ontwikkelen.

Daarnaast vind ik het interessant dat zorgen en spelen – en de homo curans (de zorgende mens) en homo ludens (de spelende mens) – meer verweven lijken te zijn dan bijvoorbeeld een grote denker als Joan Tronto veronderstelde. Door aandacht te hebben voor de geleefde ervaring van mensen die in een particuliere praktijk met elkaar spelen – in dit geval feesten – en door te focussen op de betekenis van die activiteit voor de deelnemers, wordt duidelijk dat spelen een belangrijke plek in kan nemen in het life-sustaining web van zorg waarmee mensen zichzelf, hun wereld, en de relaties waarin zij verwikkeld zijn onderhouden, continueren en herstellen. Dit vraagt om een bepaalde openheid, voor het onwaarschijnlijke en het vreemde, maar vooral voor de complexiteit van de geleefde ervaring van mensen die een belangrijke bron van morele kennis biedt.  

Ik sluit af met een bevinding die de kern vormt van het antwoord op mijn hoofdvraag: een rechtvaardige behandeling van feestende jongeren, of van welke groep burgers dan ook, staat of valt met een adequate interpretatie en representatie van hun behoeften. Pas wanneer politici en beleidsmakers de behoeften van feestende jongeren écht leren kennen, door met hen te spreken, door naar hen te luisteren, door hen serieus te nemen, en door hun behoeften adequaat te representeren, kan gereikt worden naar de zorgethische én democratische idealen die in het coronatijdperk altijd net buiten bereik lijken te blijven: justice, equality, and freedom for all. Leest u daarover graag meer, dan nodig ik u uit om mijn thesis eens rustig door te scrollen. Bedankt voor het lezen.

Stijn Staal

Masterstudent Zorgethiek en Beleid

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *