4 – 5 minuten

2 reacties

De eerste keramieken paashazen staan uitgestald, er zijn prachtig bewerkte houten planken, een schilderij dat doet denken aan Herman Brood en er is heel veel mozaïek. Ik snuffel tussen de zelfgemaakte voorwerpen in het ‘Mesdag-winkeltje’ en vind tot mijn plezier een lange lijn met vlaggetjes. ‘Dat is een feestelijk cadeautje’, bedenk ik bij het afrekenen terwijl ik in de gauwigheid ook twee paashaasjes meepak.

De jongste zoon van mijn ‘verkering’ is binnenkort jarig en ik vind het belangrijk om te kunnen laten zien dat er ook echt mooie dingen uit de handen van onze patiënten komen. Getriggerd door mijn aankoop overdenk ik de uitdrukking: ‘Het leven is een feestje maar je moet zelf de slingers ophangen.’
‘Dat gaat toch echt niet altijd op’, peins ik in mijzelf terwijl ik door de lange gangen van de Mesdag loop. Het idee van dat alles ‘maakbaar’ is vind ik wel heel naïef. Ziekte of andere pech kunnen zomaar op je pad komen, en soms is er vanaf het prille begin al sprake van verminderde kansen in het leven. Dat je als kind gekoesterd wordt of juist niet maakt bijvoorbeeld al zoveel uit.

Modelburger

Ik word onderbroken in mijn overpeinzing door een bekend gezicht achter een mondkapje. Hij loopt net de arbeidszaal uit. ‘Hoe is het?’,  vraagt hij. ‘Goed’, lieg ik een beetje omwille van het voorkomen van doorvragen. ‘En met jou?’ Hij kijkt weer voor zich uit: ‘Z’n gangetje’,  zegt hij. ‘Wat voor gangetje?’, vraag ik. Ik vervolg na zijn vragende blik: ‘Een goed of slecht of…. wat voor gangetje dan ook.’

Hij kijkt mij aan en zegt dat hij weer een  stapje terug heeft gedaan. ‘O?’ vraag ik. ‘Ik heb mij niet aan mijn verlofvoorwaarden gehouden,’ zegt hij. Ik knik en ga er niet verder op in, maar luister. Hij vervolgt: ‘Ik ben uit de patiëntenraad gezet. Daar moet je modelburger voor zijn.’ ‘Modelburger?’, vraag ik. ‘Wat is dat eigenlijk. Lukt dat wel?’ Hij gaat verder en zegt: ‘Je bent daar een voorbeeld voor de rest van de jongens.’ Ik knik begrijpend en zeg: ‘O zo, je hebt daar een voorbeeldfunctie.’

Hij komt terneergeslagen op mij over als hij vertelt dat hij terug bij af is. Hij kan niet op verlof, niet naar zijn werk, niet naar vrienden of familie. Ik zeg: ‘Opgeven is geen optie. Daar ben je ook veel te jong voor. En je weet waar je aan werken moet.’ Hij knikt en ik denk aan zijn ogen boven het mondkapje te zien dat hij grijnst, ik steek mijn duim op als hij linksaf slaat en ik rechtdoor ga. Hij steekt ook zijn duim op.

Koesteren

‘Het leven is een feestje maar je moet wel zelf de slingers ophangen’, mompel ik weer verder van binnen. De vlaggetjeslijn voor mijn pas verworven ‘verkeringszoon’ zit in mijn tas. Hoe betrekkelijk kort we elkaar ook kennen, ik koester hem al.

Ook de-man-in-de gang is iemands zoon. Werd en wordt hij wel gekoesterd? Waar mijn kring van mensen om wie ik geef en die om mij geven  groter wordt, wordt die van hem weer ingeperkt. Hij heeft zich niet aan zijn verlofvoorwaarden gehouden. Dus de inperkingen zijn zeker helder en hopelijk leerzaam. Maar in hoeverre kun je verwachten dat hij zelf de slingers ophangt in zijn leven om er een feestje van te maken? Het leven an sich is al moeilijk genoeg voor hem.

‘Fuck maakbaarheid’, mompel ik totaal ongenuanceerd voor mij uit terwijl ik de ene na de andere tbs-patiënt in de gangen vriendelijk groet. Voor kleine dingen in het leven gaat het misschien wel op, maar als het er echt op aankomt kun je ook gewoon geluk, of juist heel veel pech hebben.

Swanny Kremer

Een artikel van


2 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.