In gedachten verzonken fietste ik, op een gewone dinsdagochtend, naar de school van mijn kinderen. In mijn hoofd nam ik de planning voor die week door en somde op wat ik niet moest vergeten en wie ik nog moest bellen. “Maar hė, wat was dat nou… zag ik daarnet nou een zebra?!”
Was het een associatie in mijn gedachten geweest of was het echt? Ik stopte en fietste terug. En ja hoor warempel, in de etalage een paar panden terug, stond zowaar een zebra. Hij leek echt. Shit, hij was echt. Ik voelde een schok door mijn lijf gaan; die zebra was gehalveerd! Hij was doormidden gesneden tussen zijn buik en genitaliën. Verbouwereerd, met in mij een zweem van droefenis, stond ik een minuut aan de grond genageld naar binnen te gapen, waarna ik langzaam de omgeving in me opnam. Een winkel met meubels, een kringloop en preparatenshop, wat gewone huizen, een afhaalpizzeria, een winkel voor technische onderdelen en zowat meer. Het was rustig op straat. Het pand was gesloten. Buiten was het kaal en koud. Ik keek om of er misschien andere fietsers aan kwamen, want ik voelde de behoefte om mijn ontsteltenis te delen. Ik wilde vragen wat zíj van deze gekke verschijning vonden, wat het met hen deed… Maar helaas; geen andere fietsers.
De agendaplanning was ondertussen volledig uit mijn hoofd verdwenen en had plaats gemaakt voor gedachten over roof, consumentisme en extractivisme. De ruit van de etalage spiegelde. Het was donker in het pand, maar ik drukte mijn neus tegen de ruit en zag nog meer dieren; vlinders, marters, een stuk bizon en een opgezette reiger… Met een mix van nieuwsgierigheid, ontzag en ontzetting of misschien zelfs wel walging, probeerde ik nog meer te ontwaren, maar er scheen niet genoeg licht. Het contrast met de omgeving en de context ontregelde me.
Deze opgezette dieren stonden als ‘producten’ tussen een allegaartje van andere spullen in een winkel, midden in een woonwijk met enkele buurtwinkels. Enerzijds leken ze tentoongesteld, anderzijds slordig of lukraak neergezet. Wat was het, dat mij zo ontregelde? Was het de nonchalance waarmee … het productmatige…? “Oeps” Ineens werd ik me bewust van de tijd en realiseerde me tot mijn schrik dat de schoolbel al over een minuut zou gaan. “Ai, weer te laat”. Haastgedachten verdreven mijn ontstelde mijmeringen en ik besloot om binnenkort terug te gaan en de boel verder te verkennen.
Die zaterdag pakte ik mijn fiets en parkeerde deze bij de afhaalpizzeria tegenover de preparatenshop slash allegaartje-winkel. Iets in mij voelde zich alsof het niet gezien wilde worden. Mijn maag en keel voelden wat wee en ik merkte op dat ik sommige spieren aan ging spannen, alsof ik me wilde voorbereiden op iets dat ik zou gaan zien, wat ik niet wilde zien (en toch ook weer wel, want anders was ik daar niet).
Ik liep naar binnen. De winkel was groot en rommelig. Er waren, naar ik schat, nog zo’n twintig andere mensen. Ik nam de ruimte, de anderen en het personeel in me op. De sfeer was gemoedelijk, joviaal. In het preparatengedeelte stonden enkele kinderen met hun ouders te ‘oh-en-ah-en’. De kinderen waren duidelijk gebiologeerd door de grote variatie aan opgezette dieren; een mengeling van fascinatie, verwondering en het tegelijkertijd ook een beetje eng of zielig vinden. Ik wachtte een kwartiertje tot het iets rustiger werd en stapte daarna zelf op de opgezette dieren af… Wat waren het er veel. Het leek wel Naturalis of een ander museum. Alleen stonden hier overal prijskaartjes bij.
Ook ík voelde de fascinatie en de verwondering; “wat een schoonheid; die tropische vlinders, vogeltjes, schorpioenen…”. Ik liep tussen de vitrines door en zag zoveel mooie, bijzondere dieren; zelfs een heus luipaard en een witte lynx en ik vroeg me af of dit geen beschermde diersoorten waren. In mijn maag raakte de fascinatie in de knoop met een gevoel van rouw of ontering. Mag dit zomaar? Ik liep naar de halve zebra die ik gezien had door de etalageruit, voelde zijn vacht en keek naar zijn ogen die van glas waren. Ik dacht aan de dichter Rumi en dat deze ogen niet langer ‘spiegels van de ziel’ waren. Terwijl ik rondkeek voelde ik tranen opwellen. Waarom moeten wij als mensen per se dingen hebben en kopen, waarom kunnen we er niet gewoon naar kijken, met ontzag en respect en de dieren in hun habitat laten? Wat is het plezier van het hebben?
Bij een aantal van de kinderen die ik observeerde voordat ik zelf op de dieren afgestapt was, zag ik het natuurlijke ontzag dat zij voelden en het medeleven dat zij toonden. Ze stelden vragen aan hun ouders over het ‘dood maken’ en ‘of het geen pijn deed’. Er waren ook (enkele oudere) kinderen, die het allemaal ‘heel gaaf en vet’ vonden en vroegen of ze sommige dieren mochten hebben. En er was een jong stel dat discussieerde of het wel mooi zou staan in de kamer. Ook ík voelde het verlangen om die schoonheid mee te willen nemen naar huis; om het bij me te dragen en er vaak naar te kijken. Maar ik herinnerde me een opmerking van een goeie vriend, die heimelijk verliefd op me was en ooit tegen me zei: “je bent als een mooie bloem voor me… ik weet; ik kan naar je kijken en van je genieten, maar ik kan je niet plukken, want dan verlep je en ga je dood.” Hij realiseerde zich dat hij me meer ‘had’, als hij me niet wilde hebben.
Moeten we niet allemaal wat meer aandacht besteden aan het nadenken over ‘hebben’… over wat ‘hebben’ eigenlijk betekent, impliceert, of het überhaupt waar is en wat het tot gevolgen heeft?
1 reactie
K B
Beste,
Wat ik mis in je verhaal is of je contact hebt gemaakt met de eigenaar, of je de politie hebt geïnformeerd/gevraagd.
Je hebt wel allerlei vragen maar daar doe je niets mee.
Ethisch ga je een beetje mank.
Maak er een vervolgverhaal van!