6 – 8 minuten

2 reacties

Wie ben je?

Mijn naam is Tom van der Heijden, ik ben 49 jaar oud en woon samen met Margo aan de rand van Vinkel (een dorpje in Noord-Brabant). Ik ben werkzaam als verpleegkundige in een mooi verpleeghuis in Mill. Samen met twee collega verpleegkundigen ben ik eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg in het verpleeghuis, waarbij ik een afdeling met twee woongroepen onder mijn hoede heb. Daarnaast is zen is een wezenlijk onderdeel van mijn leven, naast mijn werk als verpleegkundige ben ik tevens – met veel plezier – zenleraar en zencoach.

Wat is het onderwerp van je thesis en hoe kwam je tot deze keuze?

De thesis betreft een verkennende zorgethische studie naar de geleefde ervaringen rondom calamiteiten van schoonmaakpersoneel in een GGZ instelling. Het lag in eerste instantie erg voor de hand om voor verpleegkundigen te kiezen als onderzoeksgroep. Toch heb ik besloten om de schoonmakers centraal te stellen. Dit kwam voort uit mijn eigen persoonlijke ervaringen als schoonmaker bij de Nederlandse Spoorwegen en nu ook als verpleegkundige in de verpleeghuiszorg: keer op keer bleek dat de schoonmakers er wel zijn, maar niet echt worden gezien of opgemerkt. Ik ben me altijd betrokken blijven voelen bij mensen die schoonmaken, in bepaalde zin voel ik me nog steeds één van hen. Ik was dan ook heel blij dat ik toestemming kreeg van de instelling om dit onderzoek te mogen doen.

Hoe sluit het onderzoek aan bij zorgethiek?

Volgens Hankivsky worden binnen de zorgethiek mensen begrepen als “concrete beings, who exist in mutually interconnected, interdependent, and often unequal relations with each other” (2014). Er is sprake van onderlinge afhankelijkheid waarbij niet iedereen gelijke relaties en kansen heeft. Dit maakt mensen kwetsbaar (Leget et al, 2017). Het onderzoek startte vanuit de vooronderstelling dat de situatie waar de schoonmakers zich bevinden, wordt gemarkeerd en vormgegeven door deze kwetsbaarheid, waarbij macht en positie wellicht ook een belangrijke rol zou kunnen spelen. Binnen de Utrechtse zorgethiek worden deze concepten critical insights genoemd, gedeelde inzichten of lenzen, van waaruit er, vanuit zorgethisch perspectief, naar de empirische werkelijkheid wordt gekeken. Door de voortdurende heen- en weergaande beweging tussen de geleefde ervaringen (empirie) en theorie, die zo kenmerkend is voor de Utrechtse zorgethiek, worden deze lenzen door de kennis die uit deze werkelijkheid wordt gedestilleerd weer aangescherpt. Dit verruimt onze blik en geeft handvatten om deze werkelijkheid ten goede te veranderen. In dit onderzoek is er door de lenzen kwetsbaarheid en macht/positie naar de situatie van de schoonmakers gekeken.

Hoe heb je dit onderzocht?

Voor het theoriegedeelte heb ik een literatuuronderzoek uitgevoerd. Ik heb drie semigestructureerde interviews gehouden, die beschrijvend zijn weergegeven in de thesis. Voor het empirische onderzoek heb ik gekozen voor de fenomenologische benadering en methode (Creswell & Poth, 2018), waarbij de nadruk lag op het begrijpen van de essentie van het fenomeen ‘werken als schoonmaker bij calamiteiten’. Daarnaast vond ik het ook belangrijk inzicht te ontwikkelen in hoeverre institutionele invloeden een rol spelen in de werkuitoefening van de schoonmakers. De zogenaamde ruling relations uit de institutioneel etnografische onderzoeksmethode (IE) waren hierbij het voornaamste vertrekpunt.

Wat zijn voor jou de meest verrassende bevindingen?

De resultaten van het empirisch onderzoek bevestigden in eerste instantie de vooronderstelling dat er een relatie zou kunnen bestaan tussen het niet-gezien worden, de heersende machtsstructuren waarbinnen schoonmakers moeten opereren en het gevoel van kwetsbaarheid dat daarmee gepaard kan gaan. Verrassend was echter dat de schoonmakers ook nog vanuit een andere invalshoek te maken kunnen hebben met het niet-volledig-gezien of erkend-worden in wie zij zijn en wat zij doen in hun rol als schoonmaker: zij bleken zich namelijk in hoge mate betrokken te voelen bij de cliënten die wonen in de instelling. Over de zorgende rol die zij aannemen en het gevoel van zinvolheid die zij daarbij ervaren, stond nauwelijks iets beschreven in de wetenschappelijke literatuur. Het verlenen van de zorg aan de cliënten maakte geen deel uit van hun functiebeschrijving en leek in de praktijk niet of nauwelijks opgemerkt te worden.

Een ander verrassend inzicht ontstond rondom het begrip kwetsbaarheid. Volgens Gilson (2013) wordt kwetsbaarheid in de literatuur overwegend gezien als een toestand die leidt tot schade en die moet worden vermeden, geminimaliseerd en voorkomen en als dat niet kan, bescherming en hulp verdient. Dit sluit aan bij het beeld wat in eerste instantie ontstond rondom de schoonmakers. Aan de hand van het werk van de twintigste-eeuwse filosofen Merleau-Ponty, Deleuze en Cixou presenteerde dezelfde Gilson echter ook een alternatieve variant van het concept kwetsbaarheid: kwetsbaarheid is niet alleen een gefixeerde, slechte toestand, maar ook een toestand die een bepaald potentieel in zich heeft, een potentieel die groei en/of ontwikkeling mogelijk maakt. Interessant genoeg leek er – door met dit nieuw gedefinieerde perspectief – naar de situatie van de schoonmakers te kijken, iets te veranderen. Eén van de opvallende uitkomsten van het onderzoek was dat de schoonmakers enerzijds hun werk als intensief, zwaar en belastend ervaren, anderzijds aangaven dat zij het erg naar hun zin hebben, en heel veel voldoening halen uit het werk wat zij doen. De steun van de naaste collega’s was daarbij erg belangrijk. Zij traden, zo bleek, op als elkaars geestelijk verzorger. Er ontstond een beeld waarbij het erop leek dat de schoonmakers zich niet enkel als ‘onderdrukt’ en in de hoek gezet ervaren, maar ook als mensen die de mogelijkheid hebben te kunnen groeien als mens en een bijdrage te kunnen leveren aan de mensen om hen heen. Deze andere kijk op het concept kwetsbaarheid zorgde ervoor dat hun situatie en wie zij zijn en wat zij doen (voor anderen) in een meer emanciperend en vrijer daglicht kwam te staan. Schoonmakers in een GGZ omgeving, leken zowel een kwetsbare en tegelijkertijd ook potentieel krachtige beroepsgroep te kunnen zijn: voor beide invalshoeken bleken voldoende aanwijzingen te bestaan. Het niet-gezien worden lijkt daar een paradoxale positie in te nemen: enerzijds zorgt dit voor een kans op het oplopen van schade, zowel fysiek alsmede ook mentaal en dient deze dus weggenomen te worden. Anderzijds zou men ook kunnen stellen dat juist dankzij dit niet-gezien worden vrije ruimte ontstaat voor de schoonmakers om daadwerkelijk iets te kunnen betekenen voor het leven van de cliënten. Het vraagt dus om het bewandelen van een soort van middenweg.

Heb je aanbevelingen voor de praktijk en voor vervolgonderzoek?

Jazeker! Lees voor de aanbevelingen mijn onderzoek. Je kunt daarvoor drukken op de button hieronder. Zelf zou ik heel graag nog vervolgonderzoek doen naar welke impact het (impliciete zorg) werk van schoonmakers heeft op het welzijn van de klinisch opgenomen cliënten. Naar mijn idee zou meer helderheid hierin kunnen zorgen voor meer gelijkwaardigheid in de samenwerking en eraan kunnen bijdragen dat de ‘schotten’ tussen de verschillende beroepsgroepen verdwijnen.

Tom van der Heijden

Verpleegkundige en masterstudent Zorgethiek en Beleid

Een artikel van


2 reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

marion dalm

Wat een prachtige scriptie!
In de eerste plaats, omdat Tom dit thema heeft “gezien” en in de tweede plaats omdat hij het zo mooi en goed onderbouwd verwoord heeft. Heel inspirerend.

Dank je wel, Tom en veel succes bij eventuele vervolgstappen.

Wat een prachtig onderzoek naar een doelgroep die we heel snel vergeten, die vaak niet echt gezien wordt. Het heeft veel mooie inzichten opgeleverd.
Proficiat