Mijn naam is Jacqueline Kleijer. Samen met mijn man heb ik twee fantastische zonen. Ooit startte ik op de kunstacademie, was ik au-pair en deed ik Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH). Jarenlang werkte ik als (therapeutisch) hulpverlener met onder andere slachtoffers van seksueel geweld (12-23 jaar). In die tijd deed het mobieltje zijn intrede, waardoor de loverboy niet langer aan de schoolpoort hoefde te wachten, maar direct toegang kreeg tot de slaapkamer van zijn slachtoffers. Omdat daar destijds nog geen passend antwoord op was, specialiseerde ik me in (online) identiteit, seksualiteit en beïnvloeding. Ik verruilde behandeling voor preventie en voorlichting. Als mediapedagoog geef ik sindsdien gastlessen, ouderavonden, lezingen, trainingen en beleidsadvies over alles wat met sociale media te maken heeft.
Geïnspireerd door Hannah Arendts uitspraak “Ich muss verstehen”, haar innerlijke opdracht om te proberen te begrijpen wat er in de wereld gaande is, ook wanneer dat ongemakkelijk of beangstigend is, ontstond mijn drijfveer om te onderzoeken hoe jongens zich verhouden tot ultrarechtse online content. Voor Arendt is begrijpen geen rechtvaardiging, maar een vorm van morele zorg: een poging om vanuit aandacht en verantwoordelijkheid de wereld te blijven delen met anderen, ook als die wereld vervreemdend of bedreigend lijkt. Zorgethiek bleek voor mij de ideale benadering om dit vraagstuk niet veroordelend, maar vanuit betrokkenheid en menselijkheid te onderzoeken.
Mijn thesis is een zorgethische studie naar hoe jongens van 11–15 jaar ultrarechtse online content ervaren en beleven. De titel Piemels en hakenkruizen verwijst naar de fase waarin veel jongens piemels en hakenkruizen op tafels of muren tekenen. Een afdelingsleider van een middelbare school vergeleek dit met het versturen van nazimemes: beide dienen als speelse provocatie, maar kunnen ongemerkt iets groters symboliseren.
Zorgethiek gaat verder dan de zorg voor ouderen, zieken of mensen met een beperking. Het is een ethische benadering die uitgaat van menselijke afhankelijkheid en onderlinge verbondenheid en die koerst op een zorgzame democratische samenleving. Zorg is daarin niet alleen een praktische handeling, maar ook een morele en politieke verantwoordelijkheid. De digitale leefwereld van jongeren vraagt om bestudering vanuit een zorgethische blik, juist omdat daarmee de verwevenheid van kwetsbaarheid, invloed en verantwoordelijkheid zichtbaar wordt.
In mijn zorgethische analyse richt ik mij op het begrijpen hoe jongens van 11-15 jaar ultrarechtse online content ervaren en beleven. Hun positie binnen deze dynamiek roept fundamentele zorgethische vragen op, omdat hun ervaringen niet op zichzelf staan, maar zijn verweven met bredere relationele en maatschappelijke structuren. Vanuit die samenhang kwamen drie onderling verbonden uitdagingen naar voren: Ten eerste vraagt de ultrarechtse online content om reflectie op hoe wij jongens begeleiden die seksistische memes delen, racistische uitspraken doen of misogyne denkbeelden ontwikkelen. Sluiten onze reacties werkelijk aan bij hun ontwikkelingsfase en bij de groepsmechanismen waarin dergelijke uitingen status opleveren? Benaderingen die vooral inzetten op straf of moralisering missen vaak de aandachtigheid en responsiviteit die volgens Tronto (1993) essentieel zijn voor goede zorg. Daarnaast blijft structurele ongelijkheid vaak buiten beeld. Structurele ongelijkheid blijft in dit verband vaak onderbelicht. Met name meiden, jongeren van kleur en queer jongeren worden onevenredig zwaar getroffen door online kwetsing, wat resulteert in een aanhoudend onveilig (online) leer- en leefklimaat. Dit vormt een schending van de zorgethische waarde solidarity en van het principe caring with (Tronto, 2013).
De derde uitdaging raakt aan de kern van onze democratie. Wanneer haatdragend gedrag genormaliseerd wordt en daarop geen zorgzame en adequate reactie volgt, komt de pluraliteit en wederzijdse erkenning in het gedrang die volgens Hannah Arendt (1958) essentieel zijn voor een democratische samenleving.
Zo wordt duidelijk dat tekortschietende zorg niet alleen persoonlijke relaties en ontwikkeling van de jongens verzwakt, maar dat het ook de ethische en maatschappelijke samenhang van onze samenleving aantast. Mijn streven was om, vanuit zorgethisch perspectief, recht te doen aan zowel de kwetsbaarheid als de ontwikkelkracht van deze jongens.
Om de zorgethische en sociaal-constructivistische positionering van het onderzoek te vertalen naar een passende vorm, heb ik gekozen voor een kwalitatieve methode die theorie en praktijk met elkaar verbindt: de constructivistische grounded theory. Deze benadering sluit aan bij de zorgethische visie waarin het begrijpen van ervaringen en perspectieven centraal staat. Zorgethiek vindt haar basis in de dagelijkse zorgpraktijk, maar wordt voortdurend gevoed door theoretische reflectie, wat leidt tot een dynamische wisselwerking tussen praktijk en theorie.
Tijdens het onderzoek merkte ik dat het onderwerp vaak geschrokken of bagatelliserend werd ontvangen, met reacties als “O doodeng!” of “O ja, die Andrew Tate-mannetjes.” Beide reacties doen echter geen recht aan de complexiteit van de problematiek rond ultrarechtse online beïnvloeding. Mijn onderzoek gaat niet alleen over de specifieke jongens die ik sprak, maar evenzeer over leerlingen, cliënten, buurjongens, neven, vrienden of zelfs zonen van ons allemaal.
Het delen van memes en het deelnemen aan ultrarechtse groepen blijkt vaak een manier te zijn om ergens bij te horen. Deze online interacties kunnen zelfs bouwstenen worden van de identiteit van jongens. Dat proces verloopt in de vroege identiteit, de conformistische fase, vrijwel gedachteloos.
Boaz (14), één van de geïnterviewde jongens, verwoordde dit treffend: “In onze groepen krijg ik heel veel memes doorgestuurd. Alles komt voorbij: racistische grappen, holocaust-memes, vrouwenmemes. Meestal reageert men alleen op de extreemste dingen. Of ik ooit zelf zo’n ‘foute’ meme heb doorgestuurd? Ja, honderd procent.”
De manier waarop de directe omgeving en de samenleving reageren, bepaalt in hoge mate of jongens daadwerkelijk worden gevormd door extreem gedachtegoed. Zo kunnen jongens via games, memes en sportschoolvideo’s geleidelijk in een rabbithole terechtkomen. Langdurige blootstelling aan dit soort content maakt hen ontvankelijker voor radicalisering, wat zich uit in overlappende fasen van normalisering, acclimatisering en dehumanisering.
Wat me vooral verraste, was dat de jongens aangaven dat ze de fase waarin misogynie en racisme als middel tot groepsvorming dienen, niet hadden willen missen. Dat inzicht is belangrijk voor de manier waarop we als samenleving met dit vraagstuk omgaan. Hoe creëren we een ruimte waarin jongeren op een veilige manier leren dat verschillende zienswijzen naast elkaar kunnen bestaan? En hoe kunnen we als samenleving, jeugdprofessionals en opvoeders jongens door deze fase loodsen, wanneer hun communicatie botst met de waarden van de democratische rechtsstaat?
In mijn onderzoek concludeer ik dat wij als samenleving, zorg- en jeugdprofessionals en opvoeders onze eigen moraal niet aan jongeren kunnen opleggen. Een democratische rechtsstaat bestaat juist bij de gratie van verschil en conflict. Die ruimte moeten we gezamenlijk aangaan, binnen de grondwettelijke kaders van diezelfde rechtsstaat. Ik noem dat conflict care.
Met deze zorgethische analyse, verrijkt met Hannah Arendts denken, laat ik zien dat de manier waarop jongens ultrarechtse online content beleven sterk samenhangt met hun ontwikkelingsfase, groepsdynamiek en persoonlijke context. Hun betrokkenheid bij extreme symbolen en ideeën komt vaak voort uit conformisme, behoefte aan erkenning en groepshumor, eerder dan uit bewuste ideologische overtuiging. Arendt maakte zichtbaar hoe gedachteloos meebewegen (de banaliteit van het kwaad) en eenvoudige vijandbeelden, het vermogen tot kritisch oordelen ondermijnen. Tegelijk bieden haar begrippen pluraliteit, nataliteit en amor mundi aanknopingspunten voor weerbaarheid en verantwoordelijkheid. Tronto’s zorgethiek benadrukt dat zorg aandachtig, verantwoordelijk, competent en solidair moet zijn. Hieruit blijkt dat de digitale wereld erkend moet worden als een zorg-, politiek- en ethisch domein.
Zorg gaat niet alleen over nabijheid en aandacht, maar ook over het scheppen van ruimte voor moreel oordelen en handelen in de publieke sfeer. Zorg wordt daarmee een democratische oefenplaats waarin we leren begrijpen, oordelen en handelen. Ik hoop van harte dat mijn bevindingen uitnodigen om Arendts oproep “Ich muss verstehen” om te zetten in zorgethisch handelen: van begrijpen naar handelen, zodat zorg een levende democratische praktijk wordt.

2 reacties
Suzanne Visschedijk
Bravo brava bravissima.
Hannah Arendt blijft ook mij uitdagen en inspireren. Niet gemakkelijk, wel blijvend verrijkend.
Marloes van Overbeeke
Dag Jacquelie,
Graag wil ik mijn grote waardering voor jouw werk uiten. Zo wijs vrrstandig en liefdevol. En realistisch : nirg langrr uitsluiten wat ons tegenstaat.
Lees ik je bericht goed, alx ik concludeer dat er geen groepen zijn waarin jongens hun identiteit kunnen beleven, waarin zij zichzelf herkennen ?
Ik vermoed dag een heel aantal jongens die in sportclubs vinden, maar dat is niet voor iedereen weggelegd.Ik zal ook je scriptie gaan lezen. Nogmaals dank voor deze essentiele inbreng en laat je maar overal horen.