Terwijl ik de steile trap opklim die het nieuwere gedeelte van de tbs-kliniek verbindt met het hoofdgebouw, word ik van achteren ingehaald. Nu hij naast mij loopt houdt hij zijn tempo in en we beginnen een gesprekje. “Wat een regen hè?”, zeg ik. “Dat maakt mij niets uit”, zegt hij, “als ik maar naar buiten kan.” Nadat ik van opzij oogcontact maak zeg ik: “Ja, dat kan ik wel een beetje begrijpen. Ik heb het al na een dag werken dat ik ‘buiten’ even diep inadem.” Hij bromt voor zich uit: “Kijk, jij mag iedere dag naar buiten. Ik alleen als een ander dat bepaalt voor mij.” Ik knik en zeg: “Jij bent in alles heel afhankelijk.”
Dan ineens zegt hij: “Je hebt een leuke jurk aan.” En meteen voel ik ongemak. Want die jurk heb ík aan: “Kijkt hij naar de jurk, of bekijkt hij mij?”
Toch zeg ik luchtig: “Dank je wel. Ik houd van jurken.” Ondertussen zegt alles in mijn hoofd: ”Wat vind ik hiervan?”
Het toeval wil dat ik verderop van een andere tbs-gestelde ineens augurken aangeboden krijg. “Net geoogst”, zegt hij. In mijn hoofd knalt direct een dilemma naar boven en ik vraag mijzelf af of ik deze augurken moet/mag/of behoor te accepteren. Daardoor ben ik zo in beslag genomen dat ik eindig met een paar augurken in mijn hand voordat ik ‘pap’ kan zeggen.
Weer gaat mijn hoofd op hol: “Wat vind ik hiervan?”
Als ik later in ‘het keukentje’ voor ons kantoor sta leg ik dit voor aan mijn collega’s die er op dat moment zijn. “Het is ook een leuke jurk”, zeg ik. “Maar door de jaren heen is de worsteling van professionele nabijheid versus voldoende afstand wel een ding.” Dan maak ik mij er met een grapje vanaf: “Ik ben natuurlijk over de datum, maar toch…”
En dan zeg ik weer twijfelend: “En los van het ingewikkelde van cadeautjes accepteren, die augurken zijn misschien ook een soort fallussymbool?…” en ik kijk bedenkelijk om mij heen.
“Ach”, zegt een oude rot in ons vak die ik tref in het keukentje: “De forensische psychiatrie wordt gekenmerkt door contact. Dat is ook nodig.” Ik knik. En hij gaat door: “Natuurlijk moet er geen grensoverschrijdend gedrag plaatsvinden, maar in dat grijze gebied waar jij het over hebt maak je dagelijks afwegingen. Gingen zij een grens over?” Terwijl ik ‘nee’ zeg schud ik mijn hoofd. “Je moet het er wel goed met elkaar over hebben”, zegt hij. Daarop knik ik en zeg: “Dit overkwam mij een beetje”, ik had geen compliment en ook geen augurken verwacht.” Hij moet lachen en ik lach met hem mee.
Als ik weer achter mijn bureau zit mompel ik voor mij uit:
“Soms is een mooie jurk gewoon een mooie jurk.
En een augurk gewoon een augurk.”
0 reacties