Interview met Guus Timmerman

, Author: Geen reacties
Guus Timmerman

Guus Timmerman is geboren in 1961, studeerde natuurkunde en theologie en werkte als pastoraal werker in het parochie-pastoraat. Sinds 2004 werkt hij aan een promotieonderzoek naar morele goederen in het pastoraat, gebruikmakend van kwalitatief-empirische onderzoeksmethodes. Op 13 april 2011 om 14.15 uur promoveert Guus in de aula van Tilburg University.  Zijn onderzoek is getiteld “Gezien de ander. Eerbied voor autonomie en authenticiteit in het pastoraat”. Zorgethiek.nu interviewde Guus Timmerman.

1. Je bent je onderzoek gestart doordat je in je vorige baan stuitte op de zorgvisie van een verpleeghuis, waar jij je over verwonderde. Kun je vertellen wat de verwondering was waarmee je begon en heeft je onderzoek uiteindelijk voor de kijk op zo’n zorgvisie betekenis?

Eind jaren negentig van de vorige eeuw ontwikkelde het woonzorgcentrum in het dorp waar ik werkte een zorgvisie waarin de bewoner werd gezien als ‘een zelfstandig individu dat prima in staat is zijn eigen leven richting te geven’.

Mij verwonderde dat uitgangspunt omdat de bewoners zoals ik ze kende, juist in dat huis leken te wonen omdat ze niet langer zelfstandig konden wonen. Hun leven had bovendien al lang een bepaalde richting genomen en ik had niet de indruk dat zelf hun leven richting geven hun allereerste prioriteit was. Bij nader inzien bleek hier respect voor autonomie als belangrijkste beginsel te worden voorgesteld. Dat wekte mijn belangstelling.

Ik heb een onderzoek gedaan naar autonomie en authenticiteit in het pastoraat. Uiteindelijk blijkt niet het in regie nemen van het eigen leven de belangrijkste betekenis van autonomie en authenticiteit, maar dat mensen zichzelf, het eigen leven, de wereld waarin ze leven en de noodlottigheid ervan voor hun rekening kunnen nemen. Het respecteren en bevorderen van autonomie en authenticiteit gebeurt altijd in een welbepaalde betrekking. Wat de aard van die betrekking is en welke praktijk daarmee precies aan de orde is blijkt er daarbij zeer toe te doen.

2. Je brengt na een intensief kwalitatief-empirisch onderzoek het werk – via hun individuele gesprekken – van basispastores op de noemer van ‘stuurmanskunst’. Wat is dat en heeft dat, denk jij, ook betekenis buiten het basispastoraat, voor verpleegkundigen en artsen bijvoorbeeld?

Stuurmanskunst is een metafoor voor het beheer van de pastorale betrekking en het pastoraal proces. Dat beheer is niet alleen iets van de pastor, maar ook van de pastorant. Samen geven zij richting, sturing, snelheid of juist traagheid aan het proces. De pastor heeft echter een welbepaalde verantwoordelijkheid die de pastorant niet heeft, namelijk het in het oog houden van waar het in de pastorale praktijk om gaat, dat wil zeggen de inherente doelen van pastoraat. Wat die doelen zijn, kan alleen terugkijkend blijken uit handelen zelf.

Binnen de metafoor van stuurmanskunst heb ik twee typen onderscheiden: koersvast sturend en responsief bijsturend beheer. In het eerste type is er een eenduidige koersrichting die consequent wordt gevolgd. In het tweede type is er ook een koersrichting, maar zijn er ook diverse momenten waarop de koers wordt verlegd naar aanleiding van hoe het proces verloopt.

Ik denk dat deze metafoor betekenis heeft overal waar praktijkbeoefenaren handelen ten aanzien van iemand anders. Ze wekt de aandacht voor de ruimte, de beweeglijkheid en de zelfkoers van die ander.

3. Een van je bevindingen is dat mensen, ook via gesprekken, er gaandeweg achter komen wat er voor hen toe doet en geen mensen zijn die ‘waarden kiezen en toepassen’. Dat lijkt voor heel de zorgverlening van belang te kunnen zijn. Wat zouden patiënten er bijvoorbeeld aan kunnen hebben?

Het is, denk ik, altijd goed om na te denken over wat je belangrijk vindt in het leven. En zeker in een periode waarin er iets op het spel staat en zaken kunnen gaan schuiven, zoals wanneer je ernstig ziek bent. Mijn punt is dat je wat er voor jou toe doet niet enkel ontdekt door te gaan zitten nadenken, maar door bij jezelf waar te nemen waardoor je wordt ontroerd, van de wijs gebracht, ondersteund, verontwaardigd raakt. Patiënten doen er goed aan dat in te brengen in hun gesprek met hun verzorgenden, artsen en verpleegkundigen. Daar mogen ze, denk ik, ook tijd voor vragen. Ingaan op de vraag ‘Hoe gaat het vandaag met u?’ is een wezenlijk onderdeel van het zorgproces, lijkt me.

Op deze manier is overigens ook te begrijpen dat mensen gaandeweg grenzen verleggen, of beter gezegd: dat mensen gaandeweg ontdekken dat andere dingen ertoe doen dan men eerst dacht, waardoor wat eerst een grens leek toch kan worden overgegaan.

4. Je hebt een eigen idee ontwikkeld hoe precies autonomie en authenticiteit bij elkaar horen. Kun je dat uitleggen, hoe dat verband zit?

In mijn onderzoek ben ik niet uitgegaan van bepaalde definities van autonomie en authenticiteit, maar heb ik gezocht naar de inhoud die die begrippen kennelijk krijgen in de pastorale praktijk. Ik heb daarvoor gekeken naar hoe de pastor zijn handelen laat beïnvloeden door wie hij tegenover zich heeft. Wie is de pastorant qua persoon en wat wil hij, vindt hij van belang, enzovoort? Dan blijken inhouden die je kunt verbinden met wat in de literatuur over autonomie wordt gezegd en inhouden die je kunt verbinden met wat in de literatuur over authenticiteit wordt gezegd door elkaar heen te lopen en samen te hangen.

Als je dan toch autonomie en authenticiteit wilt onderscheiden, dan heeft autonomie te maken met ‘mezelf besturen, mijn eigen keuzes maken’ en authenticiteit met ‘mezelf zijn, trouw zijn aan wie ik ben’. De meest elementaire vorm van beide is ‘zicht hebben op de goederen die ik nastreef en de kwaden die ik probeer te vermijden’. Vanuit de theologie komt dan de idee naar boven dat autonomie en authenticiteit op elkaar betrokken zijn zoals vrijheid en waarheid op elkaar betrokken zijn. Autonomie is de noodzakelijke veronderstelling van authenticiteit en authenticiteit de vervulling van autonomie. Uit mijn onderzoek komt naar voren dat de autonomie van de pastorant wordt bevorderd in wisselwerking met de authenticiteit van de pastor.

5. Authenticiteit staat in moderne discussie zo vaak tegenover solidariteit: is dat ook wat jij bent tegengekomen?

Je bent altijd autonoom, respectievelijk authentiek binnen een groter geheel waartoe je behoort en dat het je mogelijk maakt tot op zekere hoogte autonoom en authentiek te zijn. Je behoort tot dat grotere geheel niet omdat je ervoor gekozen hebt maar omdat het je voorgegeven is. Je kunt je er wel op verschillende manieren toe verhouden, daarin ook veranderen en je er soms, met een grote inspanning, ook van bevrijden.

Alleen als je dat grotere geheel – de samenleving waartoe je behoort, de familie waarin je geboren bent, de instelling waarbinnen je verblijft – uit het oog verliest, kan autonoom zijn betekenen: jezelf regeren zonder inmenging van anderen. En authentiek zijn: jezelf zijn, zonder rekening te houden met anderen.

In de casussen die ik heb onderzocht, zie je echter ook de spanning die er kan zijn tussen bijvoorbeeld verantwoordelijkheid nemen voor jezelf en verantwoordelijkheid nemen voor anderen. Het een kan echter uiteindelijk – dat laatste is wel belangrijk –niet zonder het ander.

6. Nu je grote boek er ligt: wat denk je of wat hoop je dat de doorwerking ervan zal zijn?

Ik hoop dat het in ieder geval doorwerking zal hebben in het nadenken over de betekenis, het belang en de reikwijdte van het beginsel van respect voor autonomie en authenticiteit. In de eerste plaats in pastoraat en geestelijke verzorging, maar hopelijk ook in de zorgverlening.

Ik hoop ook dat het doorwerking zal hebben in de wijze waarop ethisch onderzoek naar zorg en hulpverlening wordt gedaan: mede op basis van gedegen kwalitatief-empirisch onderzoek normatief-ethische theorieën ontwikkelen.

LinkedIn

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *