Interview Andries Baart en Mieke Grypdonck: Verpleegkunde en Presentie

Author: Geen reacties
verpleegkunde en presentie

Eerder dit jaar publiceerden Andries Baart en Mieke Grypdonck hun boek ‘Verpleegkunde en Presentie. Een zoektocht in dialoog naar de betekenis van presentie in verpleegkundige zorg (Lemma, 2008, ISBN 90 5931 085 8). In Tijdschrift voor Verpleegkundigen verscheen een interview naar aanleiding van dit boek.

‘Presentie vergt moed’

Op 13 mei presenteerden prof.dr. Mieke Grypdonck en prof.dr. Andries Baart hun boek ‘Verpleegkunde en Presentie’. Daarin onderzoeken zij wat de presentiebenadering kan betekenen voor de verpleegkunde. Het verslag van hun zoektocht-in-dialoog zet aan tot een herbezinning op de kern van het verplegen en de uitoefening van het vak.

In hun boek noemen Andries Baart en Mieke Grypdonck de presentiebenadering een ‘manier van doen’ en omschrijven haar als volgt. ‘Een praktijk waarbij de zorggever zich aandachtig en toegewijd op de ander betrekt en met hem interageert, zo leert zien wat er bij die ander op het spel staat – van verlangens tot angst – en die in aansluiting dáárbij gaat begrijpen wat er in de desbetreffende situatie gedaan zou kunnen worden en wie hij/ zij daarbij voor de ander kan zijn. Wat gedaan kan worden, wordt dan ook gedaan. Dat is een manier van doen, die slechts verwezenlijkt kan worden met gevoel voor subtiliteit, vakmanschap, met praktische wijsheid en liefdevolle trouw.’

Andries Baart: ‘Presentie verdiept zich in de vraag wat goede zorgverleners doen. Zij komen dichtbij, openen zich, betrekken zich met aandacht op de ander. Ze komen niet met kant en klare schema’s maar sluiten aan bij de behoefte van de ander. Belangrijke kenmerken van de presentiebenadering zijn trouw, mededogen en zorgvuldigheid. En ook dat de zorgverlener zich niet enkel toespitst op het oplossen van problemen, maar ook aanwezig blijft als de problemen onoplosbaar zijn, of waar het leed groot is. Presentiebeoefening staat niet op zichzelf, het is een aspect van de beroepsuitoefening.’

Opleiders vinden reflectie toch wel belangrijk. Maar ze hebben ook evidence-based handelen heel hoog in het vaandel staan. Hoe verhoudt de presentiebenadering zich tot het evidencebased handelen?

M.: ‘Dat hangt er van af hoe je evidence-based handelen interpreteert. We hebben het in Gent over evidence-informed handelen, een term die ik het eerst gehoord heb van Theo van Achterberg en die ik beter vind dan evidence-based handelen. Ik zou zeggen dat ook bij presentie evidence-informed gehandeld moet worden. Maar evidence-based handelen gaat vaak alleen over wat bewijsbaar is. En driekwart van de verpleegkunde is niet bewijsbaar. Bij de bewezen effectiviteit van interventies moet je je toch afvragen waarin die effectiviteit precies zit en of het nagestreefde resultaat wel van belang is voor deze patiënt. En of het wel nuttig is om met deze patiënt überhaupt naar een resultaat te streven? Veel mensen hebben zulke ingewikkelde levens dat je zelfs niet zou kunnen bedenken wat een resultaat zou kunnen zijn. Je kunt dan alleen in een langdurig proces ontdekken wat deze mensen uiteindelijk zou kunnen helpen. In het proces van presentie moet alle evidence gebruikt worden, maar altijd na te hebben gekeken wat er aan de hand is en of je samen met de patiënt zin en betekenis kunt geven aan zijn leven. 
De verleiding van evidence-based handelen is dat de verpleegkundige de door de patiënt genoemde problemen herdefinieert met het oog op de antwoorden die zij vanuit evidence kan geven.’

De overheid is een sterke voorstander van zelfstandige en autonome patiënten.

M.: ‘Langzamerhand komt er gelukkig ook erkenning voor het feit dat zelfmanagement niet een strategie is voor mensen die geen grip hebben op hun leven. Maar het is inderdaad zo dat er binnen het Ministerie van Volksgezondheid een groot geloof in maakbaarheid heerst. Dat komt onder andere tot uiting in de opvatting dat veel problemen kunnen worden opgelost wanneer er maar voldoende technologie wordt ingezet.’ A.: ‘Een recente nota van Vilans met betrekking tot ouderen gaat vooral over mensen zonder enige kwetsbaarheid met geen enkele behoefte om zich aan iemand toe te vertrouwen. Over autonome burgers die hun leven kennelijk opvatten als een te regisseren dienst, die vrijwel contactloos verloopt. Daaruit blijkt een primitief autonomiebegrip. Natuurlijk, ook ik bepaal graag in hoge mate hoe mijn leven eruitziet. Maar de vraag is of je ook kwetsbaarheid kunt respecteren. Ik trek me toch wel heel erg aan wat er met hoogbejaarden gebeurt. Zij zijn van het ene op het andere moment politiek gebombardeerd tot volwaardige burgers die alles zelf moeten doen: regelen, eindeloos formulieren invullen. Volgens het systeem worden ze gerespecteerd, maar dat is evident niet waar: je respecteert iemand pas als je op zijn kwetsbaarheid kunt reflecteren. Hierop doelde ook de specialist die recent tijdens een debat over autonomie en regie opstond en vertelde dat hij op een gegeven moment doodziek op zijn eigen afdeling was opgenomen. Hij was bang en verward en wilde helemaal geen regie, hij wilde gewoon vertrouwde mensen die voor hem gingen zorgen. Ik vind dat we die vormen van kwetsbaarheid niet moeten cultiveren, maar je moet ze wel verdisconteren in je zorg.’

Heeft presentie wel een kans tegen de achtergrond van het verwachte personeelstekort in de zorg?

A.: ‘Het is de vraag of de presentiebenadering echt meer personeel kost. Bij een onderzoek dat we vorig jaar hebben afgesloten naar “multi problem” gezinnen stuitten we op situaties waar 31 hulpverleners bij één gezin betrokken waren. Het opknippen van het zorgproces en het toedelen van de afzonderlijke zorgtaken aan mensen met specialistische deskundigheden is een dure aangelegenheid. Maar belangrijker nog is dat kwetsbare mensen zich over het algemeen willen kunnen toevertrouwen aan iemand door wie ze denken begrepen te worden. Ik wil me op bepaalde momenten, als ik doodmoe ben, als ik een chemokuur heb gehad, of weer een pak slaag van mijn man, aan jou kunnen toevertrouwen. Die ruimte is een vorm van mededogen die we heel weinig vinden.’

Tekst:  Marian Adriaansen & Tonny van de Pasch

Dit artikel is met toestemming van de redactie overgenomen uit TvZ Tijdschrift voor verpleegkundigen 2008, nr. 6, p.24.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *