“Ik kan goed lopen hoor”, zegt mijn moeder nadat zij op krukken naar de voordeur is gekomen. “Maar ik wil gewoon niet vallen.” Ik knik en zeg: “Doe rustig aan.” Dan vervolgt mijn moeder: “Soms ben ik ineens zo duizelig.”
“Doe vooral voorzichtig”, zeg ik, “vallen is extra gevaarlijk op jouw leeftijd.
Hoe vaak hoor je niet dat iemand het niet redt ….”
Ik merk dat ik mij zorgen maak.
Mijn moeder kijkt mij ineens heel strak aan en zegt: “Ik weet het. Maar ik ben niet bang.”
“Niet voor de dood?”, vraag ik.
“Nee” zegt ze.
Dan gaat zij door: “Weet je nog toen ik zo ziek was?”
Ik knik
“Ik zit al in reservetijd”, zegt ze.
Ik knik weer.
Ze gaat verder en zegt: “Toen ik zo ziek was zei de arts tegen mij: ‘houd er rekening mee’ ….”
Ik zeg: “Ik herinner mij de periode dat jij in het ziekenhuis tussen leven en dood zweefde nog goed. Het was kantje boord.”
“En toen ik daar lag voelde ik dat ik wegzweefde”, gaat mijn moeder door.
“En iemand nam mijn hand.”
Ik slik even.
“Ik weet jij daar niet in gelooft,” gaat mijn moeder door.
“Dat maakt niet uit”, zeg ik.
“Maar was dat Papa of…?”, vraag ik.
“Nee”, zegt ze, “Iets anders.”
Ze zwijgt even.
“Een engel?”, vraag ik dan.
Ze knikt
“Ja een engel. ‘Daar’ ben je niet alleen.
Dus ik ben niet bang.”
Ik slik weer.
“En let wel, ik ben stokoud, ik heb er vrede mee. “, zegt ze.
“Maar we nemen vrolijk afscheid hoor,” gaat ze door.
Ik geef haar nog maar een extra knuffel.
Nu het nog kan.
1 reactie
Alexander Dekker
Prachtig.