Het duurt wat langer deze ochtend, maar ik sta in het zonnetje dus ‘niemand doet mij wat’. Naast mij staat een meneer die ik al jaren ken en we maken een praatje. Ondertussen heb ik de neiging om mijn badge te gebruiken zodat de schuifdeur van de sluis open zal gaan, maar de instructie is duidelijk: “Geen badge gebruiken in bijzijn van een (tbs)-patiënt.” Dan zie ik aan de onderkant de wieltjes zich eindelijk in beweging zetten, in een roestig spoor draait de sluisdeur opzij. We doen een paar stappen naar voren. De eerste sluisdeur sluit weer achter ons.
Daar staan we dan. Het is nog redelijk vroeg maar de zon schijnt al volop. Toch blijft het grijs in de sluis. “Hoe voelt het nou”, vraag ik, “hier staan?” Hij kijkt mij even niet-begrijpend aan. “Ik bedoel, dat we eigenlijk afhankelijk zijn van een ander die de deuren voor je opent,” licht ik toe. Hij humt een beetje en zegt: “Dat ben ik wel gewend.” Ik knik en zeg: “ik ben het een beetje mee-gewend, al is het wel anders als je een badge hebt.” Hij knikt.
Dan vertel ik verder, dat ik in het gevangenismuseum was waar ze zo’n sluis hebben nagebouwd. “Het viel mij op dat mensen heel onrustig werden. Ze zagen niet wie de sluis bediende. Ze wisten niet hoe lang het zou duren. Ze wilden eruit.”
Terwijl de wieltjes voor ons nu ook in een even roestige baan opzij rollen lopen we langzaam naar voren. Hij kijkt even opzij en zegt: “Ik snap wel dat ze eruit willen.” Dan kijkt hij weer voor zich uit waardoor hij niet ziet dat dit mij recht in het hart raakt.
We lopen het trappetje op en gaan naar binnen. “Fijne dag”, zeg ik, terwijl ik mij afvraag hoe fijn zijn dag kan zijn. Maar hij wenst mij ook een fijne dag en glimlacht zelfs terwijl hij zich vervolgens meldt bij de portier. Met mijn badge en een ‘duimafdruk’ kan ik zo door de draaideur verderlopen terwijl ik hem nog zie wachten.
Afhankelijkheid is inherent aan de forensische psychiatrie. En ik kan nooit weten hoe het voor hem is en ik weet ook niet of ik dat helemaal moet willen. Maar in de sluis, tussen de twee roestige banen, treffen wij elkaar even. En ik zie er ineens een metafoor in. Zijn leven als een roestige baan, aangekomen in een sluis tussen ‘binnen’ en ‘buiten’.
“Hopelijk gaat het steeds gesmeerder voor hem lopen”, bedenk ik mij, terwijl ik nog even naar hem zwaai als ik de kliniek in wandel.
0 reacties