Casus – Zonde van het geld?

Author: Geen reacties

Leden van het Ethisch Elftal reageren op een moreel dilemma uit de zorgpraktijk van alledag. Deze keer een jongeman met een lichte verstandelijke beperking die, volgens zijn omgeving, onverantwoord veel geld uitgeeft aan krasloten. Mogen ze hem daarin beperken of doen ze daar juist geen goed aan? Maaike Hermsen en Marianne Waling- Huijsen reageren op deze casus. Redactie van deze rubriek wordt verzorgd door Madeleine Timmermann.

Frits is een man van 26 jaar met een licht verstandelijke beperking. Hij woont met vijf andere cliënten in een huis in een nieuwbouwwijk. Het uitgangspunt is zo zelfstandig mogelijk wonen met begeleiding. Frits wil graag veel geld verdienen. Hij wil dan een snelle auto kopen en op vakantie naar de Canarische Eilanden. Eigenlijk weet hij ook wel dat dit niet binnen zijn mogelijkheden ligt, maar toch praat hij hier graag over. Frits werkt in een sociale werkvoorziening waar hij zelfstandig naar toe reist. Onderweg komt hij langs een winkel waar hij vaak krasloten koopt. Hij geeft daar, vinden zijn begeleiders en familie, veel te veel geld aan uit. Er worden wel afspraken met hem over gemaakt, maar keer op keer kan hij het toch niet laten.

Maaike Hermsen: Er is een dubbelheid in de begeleiding van Frits te bespeuren: enerzijds ligt de nadruk op het zo zelfstan­dig mogelijk wonen, op respect voor de autonomie van Frits. Frits mag zijn eigen dromen, wensen hebben (veel geld verdienen, snelle auto kopen, op vakantie gaan et cetera). Maar anderzijds hebben begeleiding en familie wel normatieve opvattingen over de invulling van deze autonomie; Frits mag niet te veel geld uitgeven aan zijn ‘hobby’.

Marianne Waling- Huijsen: Nou ja krasloten als hobby heeft ook wel iets ingewikkelds. Wat maakt die loten zo waardevol voor Frits? Is het verhaal van een dure auto en op vakantie naar de Caribiën een doel om zich op te richten? Frits praat er in ieder geval graag over.

Maaike: Blijkbaar weet hij ook wel dat deze wensen niet binnen zijn mogelijkheden liggen, maar toch zijn ze er. Wat betekenen deze dromen voor Frits? Hij is afhankelijk van begeleiding door derden. Die afhankelijkheid kan mensen met een verstandelijke beperking een laag zelfbeeld geven. Heeft Frits het idee dat hij in de ogen van anderen niet meetelt? Is status of aanzien een belangrijk thema voor Frits? Heeft hij last van een onbewust gevoel van minderwaardigheid of eenzaamheid? Ik zie hier een taak voor de begeleiding en familie om dat uit te zoeken en te bekijken hoe Frits daarin het beste te ondersteunen is.

Marianne: Misschien kan er in gesprekken met Frits wel iets anders gevonden worden waar hij zich op kan richten, iets dichter bij huis of met een wat lager prijskaartje. Maar wel iets dat voor hem van waarde is of kan worden en dat niet bepaald wordt door anderen.

Maaike: In wezen willen nu ook anderen (begeleiding en fami­lie) voor hem bepalen dat het kopen van krasloten aan banden gelegd moet worden; hij geeft er te veel geld aan uit, vinden zij. Dat standpunt is begrijpelijk, tegelijkertijd probeer ik deze bijna vanzelfsprekendheid te bevragen, het is nog niet zo simpel om argumenten te vinden om Frits hierin aan banden te leggen. Hoog in het vaandel staat immers de zelfstandigheid van Frits en dat hij over zijn eigen geld mag beschikken (is er trouwens een maximum bedrag afgesproken dat hij mag uitgeven?). Als hij niet door anderen wordt gedwongen zijn geld aan krasloten uit te geven, en hij anderen geen schade berokkent, wat is dan het probleem voor Frits?

Marianne: Eigenlijk vraag je of iemand met een verstandelijke beperking er een ‘onverstandige hobby’ op na mag houden? Dat is een mooie vraag. Het ligt, vind ik, anders als het kopen van krasloten voor Frits een soort verslaving is en hij het eigenlijk ook liever niet wil. Heeft Frits zelf het idee dat hij geld verspilt?

Maaike: Dat moet goed aan de orde gesteld worden. Vertoont Frits verslavingsgedrag dat in ernst aan het toenemen is? Moet hij krasloten kopen om zich goed te voelen? Kortom: ik zou meer willen weten over het inzicht van Frits en mogelijke verslavings­ problematiek. Ligt verslavingsproblematiek ook ten grondslag aan het feit dat hij de afspraken niet kan nakomen? Snapt hij de afspraken en is hij het eens met de gemaakte afspraken?

Marianne: Zijn het ook zijn afspraken? Of zijn ze hem eenzijdig vanuit goede bedoeling opgelegd en heeft Frits geen invloed hierin gehad? Bij welke interne motivatie kan er aangehaakt worden? Misschien blijkt dat hij zo vaak naar die winkel gaat en loten koopt omdat hij daar zo’n prettig contact heeft met iemand en zich gezien weet. Zo verrassend kan het zijn! Dat weten we niet, maar het is de moeite van het ontdekken waard lijkt me.

Deze casus verscheen in Zin in Zorg 1 van 2013 (15de jaargang)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *