Met mijn pieper en sleutelbos in de hand en mijn telefoon om mee te betalen loop ik naar de kantine. Daar staat een bak met fruit en snoepgroenten om mee te nemen klaar. “Lekker”, denk ik terwijl ik voor mijzelf een zakje tomaatjes kies en ook een banaan voor mijn collega meeneem. Meestal heb ik een jurk met zakken aan maar nu toevallig niet dus daar kan ik niets in kwijt. “Shit”, mompel ik in mijzelf, “Hoe krijg ik nu alles mee?” Het balanceren met al die dingen in mijn handen begint.
Bij de kleine saladebar schep ik een bakje vol en ik neem een ei mee. Dan nog een pakje melk en afrekenen. Terwijl ik alles in mijn handen neem en omdraai zie ik mijzelf al op de eerste hindernis afstevenen: de deur naar ‘het vlak’ toe.
De eerste deur gaat nog prima. Ik frummel mijn badge tevoorschijn met een vrijgemaakte hand en manoeuvreer na het openklikken van deze deur met alles door de opening heen. “Dat was hindernis één “, mompel ik terwijl de tweede uitdaging voor mij opdoemt.
Bij de tweede deur wil ik in principe hetzelfde ‘kunstje’ uithalen, maar het ei begint te rollen. Terwijl ik probeer te voorkomen dat dit ei valt begint het zakje met de snoeptomaatjes te schuiven. Die moeten echt niet vallen want dan rolt alles over de vloer. En terwijl ik de tomaatjes in veiligheid breng laat ik verder alles vallen. Pardoes op de betonnen grond. Salade, ei, peper, zout, maar vooral ook de telefoon, pieper en sleutels. “Shit”, mompel ik weer in mijzelf, “maar de tomaatjes heb ik nog.”
Terwijl ik mij een stuntel voel en mij afvraag of de beveiliging mij op de camera ziet schieten twee mensen mij meteen te hulp. Dat is superaardig maar daar wordt het nog ongemakkelijker van. Want terwijl ik mijn telefoon snel oppak wordt mijn pieper aangereikt door een tbs-gestelde, en mijn sleutels door een andere. “Dit is precies hoe het niet moet”, denk ik in mijzelf, ‘Je pieper en je sleutels mag je nooit uit handen geven aan de patiënten. Dit is eigenlijk heel fout in deze context.” En tegelijk is het heel normaal dat zij mij te hulp schieten. “Bedankt”, zeg ik met een verontschuldigende blik, “ik had te veel in mijn handen.”
Terwijl ik alle samengeraapte dingen weer in mijn handen heb houdt één van de twee ‘helpers’ de deur voor mij open. “Waar moet je heen?”, vraagt hij. “Aan het einde van de gang rechts”, zeg ik. Hij knikt en zegt: “Ik loop wel even mee.” De verdere route houdt hij alle deuren voor mij open terwijl we wat over dagelijkse dingen praten.
Als we bij ons kantoor aankomen bedank ik hem nogmaals. “Je hebt mij goed afgeleverd”, zeg ik.
Hij knikt en zegt: “We zijn niet alleen maar slecht.”
0 reacties